In april kocht mijn vrouw voor haar en een vriendin kaartjes voor de musical Onze Jordaan. Toen zij vroeg of ik misschien meewilde, keek ik haar verbaasd aan. Een musical en ik is geen gelukkige combinatie. Acteurs die, in plaats van fatsoenlijk antwoord geven, om volkomen onduidelijke redenen plotseling gaan zingen, daar doe je mij geen plezier mee. Ja, ik weet het, ik heb, net als ieder mens, onredelijke vooroordelen.
Toen na de premiere de juichende 5*-recensies verschenen, begon zelfs ik te twijfelen. Dat ik geboren Amsterdammer ben, gaf de doorslag. Ik kon gelukkig nog het laatste kaartje bemachtigen.
Meestal komt de moraal van het verhaal op het eind, maar ik zal dat nu alvast verklappen: Wat kan een vooroordeel je soms enorm in de weg zitten.
Onze Jordaan is eigenlijk al voor het begint een genot om naar te kijken. Een van de acteurs, Steyn de Leeuw, komt op als zichzelf en vraagt aan het publiek hoeveel Amsterdammers, en hoeveel Jordanezen, er in de zaal zitten. In Amstelveen, waar ik de voorstelling zag, waren dat er heel wat.
Terwijl Steyn de Leeuw met het publiek praat, komen de acteurs het toneel op. Het decor is prachtig, gebouwd door de familie van een van de acteurs. Op een verhoging achter op het toneel staat het orkest.
In een van de aankondigingen las ik dat het een echte ‘meezing-musical’ is. Dat is -gelukkig- niet waar. De zang van de spelers is zo goed, dat ik blij was dat alleen bij ‘Een pikketanussie gaat er altijd in’ voluit meegebruld mocht worden.
Het verhaal boeit vanaf de eerste scene. Je wordt het leven ingezogen van een Jordanees gezin dat op 7 mei 1945 de bevrijding gaat vieren op de Dam. Vader Joop wordt daar, samen met 31 andere feestvierders, doodgeschoten door Duitsers die zich in de gebouwen rondom de Dam hadden verstopt.
Moeder Greet, een glansrol van Ellen Pieters, blijft achter met dochter Loes en is in verwachting van haar tweede, Jan. Tijdens Greets leven verandert de Jordaan van een gezellige maar bouwvallige buurt in een yuppenwijk. De enige die in haar oude omgeving stand houdt is Greet. Zij verliest haar buren en vrienden aan Almere en Purmerend, maar haar grootste verdriet is de ruzie met haar zoon, die met zijn geliefde, Luigi, naar Napels verhuist voor een zangcarrière.
Jan bleek van ’t handje, een homosueel dus, en dat was onacceptabel voor heel velen in de 60’er jaren.
Zoon Jan wordt gespeeld door een klassiek geschoolde tenor, Peter Gijsbertsen, die heel erg overtuigend blijkt te kunnen acteren. Dochter Loes, Roosmarijn Luyten, doet haar best te bemiddelen, maar Greet is zo koppig als een Jordanees maar kan zijn.
De musical is gemaakt in het kader van Amsterdam 750. Diederik Ebbinge heeft hem geschreven en geregisseerd.
Hij heeft er ongelooflijk knap een stuk met een lach en een traan van weten te maken. Er zitten parels van dialogen bij, met name als Greet op het eind in een verzorgingstehuis in Amsterdam-Noord zit. En Noord was toen voor een Amsterdammer zo ongeveer het ergste wat je je kunt voorstellen.
Maar om mij heen werd ook menige traan weggepinkt. Ik heb zelden zo’n voorstelling meegemaakt waarbij een hele zaal van begin tot eind -vaak letterlijk- op het het putje van de stoel zat om maar niets te missen van het spel en de prachtige zang, waarbij de Italiaanse belcanto -zo geliefd in de oude Jordaan- een grote rol speelt.
Leve de musical!
Beeld: Onze Jordaan Musical











